Wanneer preventie en esthetiek elkaar vinden: borstchirurgie 2.0
Ongeveer vijf procent van alle borstkankers is het gevolg van een erfelijke genetische mutatie. Meestal gaat het om afwijkingen in de BRCA1- of BRCA2-genen, al kunnen ook andere genen zoals CHEK2, PALB2, TP53, ATM en PTEN het risico op mammacarcinoom aanzienlijk verhogen.
Vrouwen bij wie een dergelijke mutatie wordt vastgesteld, kunnen kiezen tussen intensieve radiologische en klinische opvolging of een preventieve borstverwijdering, meestal in combinatie met een onmiddellijke reconstructie. In Limburg is ZOL een pionier hierin. Deze ingreep gebeurt in multidisciplinaire samenwerking tussen de diensten Gynaecologie en Plastische Heelkunde.
Vernieuwde kijk op borstverwijdering
In ZOL wordt bij een borstverwijdering sinds enkele jaren een minimaal invasieve techniek toegepast via een kleine incisie in de natuurlijke plooi onder de borst (de inframammaire plooi). Deze benadering optimaliseert de esthetiek doordat het litteken onder de borst verborgen blijft. De techniek vraagt chirurgische precisie en ervaring.
Nieuw staflid Gynaecologie, dr. Elisa Van Raemdonck, specialiseerde zich hierin aan het Oncologisch Instituut Jules Bordet in Anderlecht.
Indicaties en patiëntenselectie
Deze huid- en tepelbesparende benadering is vooral geschikt voor jonge vrouwen met een bewezen genetisch risico op borstkanker, een klein tot matig borstvolume en een beperkte of afwezige verzakking.
De procedure verloopt via een incisie van ongeveer vier centimeter, subtiel geplaatst in de inframammaire plooi. Via deze toegang wordt het borstklierweefsel volledig verwijderd, terwijl de huidflap en het tepel-areolacomplex behouden blijven.
Behoud van tepel en sensibiliteit
Het behoud van het tepel-areolacomplex is niet alleen esthetisch belangrijk, maar draagt ook bij aan een positiever lichaamsbeeld na de ingreep. Tijdens de operatie wordt zorgvuldig toegezien op het behoud van de bloedtoevoer en de integriteit van de zenuwstructuren.
Hoewel volledige sensibiliteit zelden behouden blijft, ervaart een aanzienlijk deel van de patiënten na verloop van tijd een gedeeltelijk tot functioneel herstel van het gevoel in het tepelgebied.
In vergelijking met incisies rond de rand van de tepelhof (periareolair) of vanuit de tepel naar buiten (radiaal), blijkt de inframammaire benadering gunstiger voor het behoud van sensorische zenuwbanen.
Voordelen van de inframammaire benadering
Het litteken ligt verborgen in de natuurlijke plooi onder de borst en is nadien nauwelijks zichtbaar. Ook lijkt de kans op wondproblemen kleiner, aangezien de bloedtoevoer naar het tepelgebied vanuit de bovenpool niet wordt onderbroken.
In combinatie met een onmiddellijke reconstructie leidt dit doorgaans tot een mooi esthetisch resultaat.
Beperkingen
De procedure is minder geschikt bij grotere borsten of uitgesproken ptose. In die gevallen is een aangepaste benadering of een reductiepatroon nodig.
Hoewel de oncologische veiligheid van de techniek hoog is, moeten patiënten zich ervan bewust zijn dat er steeds een kleine hoeveelheid klierweefsel achterblijft, vooral achter het tepelhof en in de oksel. Het risico op borstkanker wordt hierdoor niet volledig geëlimineerd, maar wel drastisch verlaagd ten opzichte van actieve opvolging, en ligt vaak zelfs lager dan dat van de algemene populatie.
Psychosociale aspecten
Naast de chirurgische en oncologische factoren mag ook de psychosociale impact van een bilaterale profylactische borstverwijdering niet worden onderschat.
Voor veel vrouwen gaat het verlies van de borst, zelfs met behoud van de tepel, gepaard met gevoelens van verlies van vrouwelijkheid of seksuele identiteit. Het behoud van het tepelcomplex en de beperkte littekenlast spelen daarom een belangrijke rol in het psychologisch herstel en in de tevredenheid met het lichaamsbeeld op langere termijn.
Borstreconstructie anno 2025: de hybride techniek
Anno 2025 zijn de mogelijkheden voor een borstreconstructie na een (profylactische) borstverwijdering sterk geëvolueerd. Rekening houdend met de oncologische veiligheid, anatomische en weefseltechnische factoren van de patiënt, ligt de focus meer dan ooit op esthetiek en weefselbehoud, in overeenstemming met de wensen van de patiënt. Nieuw is dat de reconstructie al meteen na de amputatie kan gebeuren, zonder zichtbaar litteken op de borst. Dr. Maartje Colaris, nieuw staflid van de dienst Plastische Heelkunde, leerde de techniek tijdens haar opleiding aan het UZ Gent.
Drie types borstreconstructie
Reconstructieve borstchirurgie kan worden onderverdeeld in drie types:
- Autologe reconstructie: met lichaamseigen weefsel (bijv. DIEAP- of Lumbar-flap).
- Niet-autologe reconstructie: met alloplastisch (lichaamsvreemd) materiaal (borstprothese).
- Hybride reconstructie: combinatie van autoloog en niet-autoloog (borstprothese met lipofilling).
De borst is een driedimensionale, anatomische structuur die wordt bepaald door vorm, projectie, volume, positie op de thoraxwand (footprint) en de huidenvelop. In reconstructieve borstchirurgie zijn al deze aspecten van belang om een langdurig esthetisch en functioneel evenwicht te bereiken, waarbij de techniek wordt afgestemd op de anatomische mogelijkheden en de wensen van de patiënt.
Hybride reconstructie: indicaties en voordelen
In geselecteerde gevallen vormt de hybride borstreconstructie een waardevol alternatief voor een volledige (microchirurgische) autologe reconstructie. Autologe opties zijn niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij patiënten met beperkte donorgebieden of verhoogde operatieve risico’s.
Sommige patiënten zijn bovendien nog niet klaar voor een vrije weefseltransplantatie of willen grote littekens vermijden. De gefaseerde opbouw van de hybride reconstructie maakt het mogelijk het reconstructieverloop af te stemmen op zowel de oncologische behandeling als het herstelproces.
Fasen van de hybride borstreconstructie
De hybride techniek combineert een prothese met lipofilling (autologe vettransplantatie) en biedt voordelen op het vlak van natuurlijke contourvorming, betere weefselbedekking en een langdurig esthetisch resultaat.
Eerste fase: tijdens de huid- en eventueel tepelhofsparende borstverwijdering wordt een tissue expander (tijdelijke prothese) voor de borstspier (prepectoraal) geplaatst, met een volume dat overeenkomt met dat van de oorspronkelijke borst. Door de natuurlijke kapselvorming rond het implantaat ontstaat een goed doorbloede matrix voor de latere lipofilling.
Tweede fase (min. 8 weken later): een eerste sessie lipofilling wordt uitgevoerd tussen het kapsel en de huidmantel. Aangezien 40–50% van het getransplanteerde vet resorbeert, zijn meerdere sessies nodig. Tijdens lipofilling kan de tissue expander deels worden geleegd – de zogenaamde reversed expansion.
Laatste fase: de tissue expander wordt vervangen door een definitieve prepectoraal geplaatste prothese. De lipofilling zorgt voor een betere bedekking van de prothese, een natuurlijkere contour en een zachter aanvoelende borst. Bij patiënten met een dunne huidmantel vermindert dit bovendien het risico op zichtbare rimpeling of voelbare randen van het implantaat. Door de opeenvolgende lipofillingsessies is vaak een kleiner implantaatvolume voldoende.
Technische variabiliteit
De techniek kan variëren in hoeveelheid lipofilling per sessie, aantal sessies, timing (gelijktijdig of gefaseerd) en het gebruik van een expander.
Soms wordt meteen het definitieve implantaat geplaatst, bijvoorbeeld bij patiënten met een klein tot matig borstvolume en beperkte of afwezige ptose, die een minimaal invasieve profylactische borstverwijdering via een inframammaire incisie ondergaan.
Het implantaat wordt in de meeste gevallen voor de borstspier geplaatst om borstanimatie en een niet-natuurlijk aspect te vermijden. Voor patiënten die nog twijfelen over de reconstructiemethode kan de prothese tijdelijk dienstdoen als babysitterprothese. Een autologe reconstructie of hybride aanpak blijft nadien altijd mogelijk.
Samenvattend
De hybride borstreconstructie biedt verschillende voordelen: minder littekens, geen morbiditeit op de donorplaats en een kortere operatietijd. De gefaseerde opbouw laat bovendien toe het reconstructieverloop aan te passen aan zowel de oncologische behandeling als het herstel van de patiënt.
Dr. Elisa Van Raemdonck, Gynaecologie
Dr. Maartje Colaris, Plastische Heelkunde